pianoTo English versionEnglish flag

Jean Wiéner - 1896-1982 - Werken voor piano solo

1.Deuxième Sonatine (1928) 10'
-Agréable
-Adagio
-Jazz

2.3 Moments de Musique (1980) 9'
-Lento
-Vivace
-Lentissimo

3.Sonatine syncopée (1921) 10'
-Lourd
-Blues
-Brillant

4.Rêve 1'30''

5. Blues 5'
Haarlem (Tempo di Blues)

6.One Step (from le Village blanc) 2'

7.3 Danses (1955) 7'30''
-Polka
-Java
-Tango

8.Sonate (1925) 12'
-Très ouvert et tout à fait en mesure
-Calme
-Très brillant, sans nervosité

Jean Wiéner (1896-1982)

'Si je n'ai pas écrit plus de musique, c'est parce que je savais que je n'écrirai jamais les Brandebourgeois ou les Noces, les concerti de Mozart ou ceux de Ravel. Cependant, à moins d'être un raisin de Corinthe, on finit par dire tout de même quelque chose'

De muzikale aanleg van Jean Wiéner blijkt al vroeg. Hij krijgt vanaf zijn vijfde jaar pianolessen, onder andere van Gabriël Fauré. In 1910 ontmoet hij Darius Milhaud, zijn vriend voor het leven en gaat samen met hem naar het Parijse Conservatorium. Medeleerlingen zijn Arthur Honneger en Jacques Ibert, hun belangrijkste leraar is André Gédalge. Wiéner bezoekt al jong de 'Concerts Colonne' en de muziekuitvoeringen in de Salle Pleyel en maakt kennis met de muziek 'van Monteverdi tot Strawinsky'.

Nog voor de Eerste Wereldoorlog ontdekt hij de Amerikaanse populaire muziek: de Cakewalk, de One-Step en de Ragtime. Na de wapenstilstand van 1918 ontstaat in Frankrijk een groot aantal nieuwe stromingen in de kunst naast nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen: de Dada (Piacabia), het Surrealisme (Breton, Desnos, Aragon) en de Art Déco; het vliegtuig en de auto als symbolen van het modernisme. De 'Groupe des Six', met componisten als Milhaud, Poulenc en Honneger, is de belangrijkste vertegenwoordiger van de nieuwe muziek.

Wiéner verdient zijn geld met de verkoop van piano's en werkt intensief aan zijn eerste composities. In 1920 geeft hij zijn eerste openbare concert als begeleider van de zangeres Jeanne Bathori. Wanneer Darius Milhaud en Jean Cocteau in 1920 uit Londen terugkomen, waar de première (in de ballet-uitvoering) van Milhauds 'Le Boeuf sur le Toît' heeft plaatsgehad, vertellen zij enthousiast over de Amerikaanse jazz die zij in Londen hebben gehoord. Samen met Wiéner richten zij op 21 december 1920 de eerste jazzclub in Parijs op, de bar Gaya in de rue Duphot. 'Tout Paris', gemobiliseerd door Cocteau, vertoont zich daar: Picasso, Ravel, Gide, Allégret, Mistinguett, Satie, René Clair. Een jaar later, in december 1921, wordt deze club voortgezet in de rue Boissy d'Anglas en omgedoopt in 'le Boeuf sur le Toît'.

Wiéner interesseert zich voor alle muziekstijlen en -ontwikkelingen van de jaren '20. Hij besteedt zijn geld aan het organiseren van 'Concerts Salade', muzikale cocktails waarin ook de jazz een plaats vindt. Op 6 december 1921 vindt het eerste 'Concert Wiéner' plaats in de Salle des Agriculteurs. Het programma bestaat uit 3 delen: eerst een optreden van Billy Arnold's American Novelty Band, gevolgd door de pianola-uitvoering van de 'Sacre du Printemps' met Strawinsky zelf als operateur achter de pianola; als derde de 'Sonate pour piano et instruments à vents' van Milhaud. Een week later volgt de première van 'Pierrot Lunaire' van Schönberg in de Franse versie. Tot 1931 zullen er Concerts Wiéner plaatsvinden.

Wiéner heeft het Franse publiek met zijn Concerts Wiéner ('Style Salade') iets totaal nieuws gebracht; tegelijkertijd laten deze manifestaties ook de muzikale voorkeuren van Wiéner zelf zien. Men heeft hem wel een bepaalde vooringenomenheid en eigenzinnigheid verweten, maar in de Concerts Wiéner vinden we juist zijn persoonlijkheid terug: zijn overtuiging, dat in alle muziekgenres iets te vinden is dat een plaats in de concertzaal verdient, of het nu de jazz is of de zingende zaag, een zangeres uit het café-concert, de pianola of een blueszangeres. Wiéner aarzelt niet om die muziek te combineren met een fameus strijkkwartet, een dirigent van naam of een beroemde zangeres. Daarbij blijft hij zelf bescheiden op de achtergrond of is vaak zelf niet eens tijdens de door hem georganiseerde concerten aanwezig. Wiéner viel daarmee, merkwaardig genoeg, buiten de wereld van mondain publiek, mondaine muziek en mondaine componisten: hij was alleen de organisator, de promotor.

Wiéner liet het Franse publiek bovendien kennismaken met de nieuwste eigentijdse muziek uit Frankrijk en het buitenland: nieuwe composities van Satie, Auric, Poulenc, Sauguet, Milhaud, naast die van Strawinsky (Pulcinella, l'Histoire du Soldat, Mavra, het Octuor). Met de première van 'Pierrot Lunaire' in de Franse versie plaatste hij Schönberg op de plek die deze verdiende. Schönberg was op dat moment de minst bekende van de componisten uit Centraal Europa, waarvan Berg en Webern ook nog maar sinds kort (na de eerste Wereldoorlog) tot het Westeuropese podium waren doorgedrongen. Daarnaast bracht Wiéner ook een bijzondere programmering van klassieke muziek: onbekende werken van de grote meesters, zoals de 'Pièces pour piano et percussion' van Beethoven, de strijkkwartetten van Rossini, Gounod en Verdi, liederen van Bizet.

Als geen ander voelde Wiéner zich verbonden met de muziek van de Noordamerikaanse neger. In de bar Gaya speelde hij vanaf 1920 samen met de zwarte banjoïst en saxofonist Vance Lowry. Hij raakte vertrouwd met de gesyncopeerde muziek en verwerkte die in zijn composities, zoals de 'Sonatine syncopée' en het 'Concerto Franco-Américain': in zijn 'Trois Blues Chantés' worden, quasi-geïmproviseerd en zonder tekst, instrumenten uit de jazzband geïmiteerd.

In 1926 vormt hij samen met de Belgische pianist Clément Doucet het pianoduo Wiéner & Doucet, dat tot 1939 over de gehele wereld zal optreden, tot in Rusland en de USA. Daarmee is hij meer bekend geworden als vedette aan de piano dan als componist. Wiéner & Doucet begeleidden sterren als Maurice Chevalier en Mireille: het duo heeft meer dan 2000 maal opgetereden en een groot aantal plaatopnamen gemaakt.

De filmindustrie ontdekt Wiéner als ideale componist. Zelf zegt hij daarover: 'Quel frisson, de pouvoir écrire dans un même oeuvre un Te Deum et un cha-cha-cha!'. Het thema uit 'Touchez-pas au grisbi' (1953) wordt een wereldhit, geinterpreteerd door Harry James, Larry Adler en vele anderen. In de jaren 1950-1960 treedt hij meer dan 200 maal op in het programma 'Histoire sans paroles', een TV-periodiek van Solange Peter waarin Wiéner stomme films begeleidt.

Jean Wiéner probeerde de grenzen te slechten tussen de serieuze en de lichte muziek. Zijn belangstelling strekte zich uit van de eindeloze mogelijkheden van het contrapunt en de fuga's van Bach, via zijn fascinatie voor de mogelijkheden van improvisatie tot de vernieuwingen van de componisten van de 'Groupe des Six' en van de Tweede Weense School. Ook in zijn latere leven bleef hij de ontwikkelingen in de muziek volgen: hij was bevriend met Luciano Berio en Henri Dutilleux, maar waardeerde ook de muziek van Pink Floyd. Non-conformisme was zijn credo, zoals in zijn Sonate voor piano, waarin Mozart en Chopin ten tonele worden gevoerd, naast een fuga en Franse salonmuziek. Klassieke en eigentijdse vormen naast elkaar, met humor gemengd en altijd volgens strict muzikale criteria.

In zijn latere composities is vooral zijn ervaring met de gesyncopeerde muziek en de film- en theatermuziek ('toegepaste muziek') terug te vinden. Het Concert voor accordeon en orkest (1949) en de Sonate voor cello en piano (1968) zijn daar voorbeelden van: soepele muziek die toch nooit glad wordt, eenvoud zonder gemakkelijkheid, zorgeloos maar niet achteloos, intiem maar nooit triviaal.

Wiéner schreef meer dan 300 filmscores, 200 stukken 'incidental music' (voor het theater, documentaires en dergelijke) en 800 kleinere composities (inclusief populaire songs, het merendeel onuitgegeven).

'1910-1970, soizante ans d'amitié! C'est rare! Mais avec Jean Wiéner c'est facile, car il est bon, il est fidèle, il est dévoué et il est aussi un merveilleux musicien' (Darius Milhaud).

Wim de Vries

De afzonderlijke werken

2 Blues

Deze 2 Blues zijn afkomstig uit een bundel met composities van Wiéner en zijn duopartner Clément Doucet. Opvallend is Wiéners voorkeur voor het lage basregister en zijn verrassende gebruik van het in de jazz bekende double-time feeling aan het einde van de eerste Blues: bij gelijkblijvende puls lijkt het tempo twee zo hoog te worden.

Tweede Sonatine

Het openingsdeel van dit werk is opgedragen aan de befaamde chansonnière Yvonne Printemps, voor wie Poulenc zijn Chemins de l'Amour schreef. Dit deel getuigt ook van Wiéners liefde voor zowel het chanson als voor de Weense Wals. Ook het middendeel begint met een eenvoudig zangthema en wordt vervolgens halverwege onderbroken door een lied met een totaal ander karakter: comme une chanson de route, par des hommes fatigués. Heeft de communist Wiéner een visioen van vermoeide, doch gelukkige arbeiders voor ogen gehad? De finale (Jazz) laat horen hoezeer gesyncopeerde muziek en jazz in de jaren twintig synoniemen waren.

Rêve

In deze droom wordt de slaper bij tijd en wijle bezocht door fragmenten van dansen: achtereenvolgens trekken een Weense Wals, een onschuldig stukje jazzmuziek en een Tango aan hem voorbij.

One-Step

Eén van de dansen, die in de twintiger jaren in Parijs in zwang waren was de One-Step. Deze One-Step is afkomstig uit de musical le Village Blanc, waar Wiéner de muziek van componeerde. Van dergelijke dansmuziekjes heeft Wiéner er talrijke gecomponeerd en gespeeld.

Sonatine syncopée

Vele van Wiéners composities zijn sterk door de jazz beinvloed. Dit geldt met name voor de Sonatine syncopée, waarin de klassieke vorm voorzien wordt van de syncope américaine en die Wiéner de volgende tekst meegeeft: Merci, chers orchestres nègres d'Amérique, merci magnifiques jazz-bands, de la bienfaisante influence que vous avez eue sur la vraie musique de mon temps. Het werk is een duidelijke exponent van Wiéners eerste periode als componist, waarin het ritme centraal staat. De aanwijzing boven het eerste deel luidt dan ook niet zonder reden: Seulement du rythme.

3 Moments de Musique

De latere werken van Wiéner missen enigszins het ritmische élan van de werken uit de jaren twintig. In deze 3 miniaturen is het harmonische aspect weer belangrijker. De manier waarop Wiéner bijzondere harmonische kleuren kan aanbrengen binnen een vrij traditioneel harmonisch kader doet denken aan de muziek van Francis Poulenc.

3 Danses

Wiéner schreef een reeks dansen voor klein orkest, waarvan hij er zelf drie voor piano bewerkte. Opvallend is dat aan alle dansen -zij het in licht gevarieerde vorm- het zelfde thema ten grondslag ligt. De Java was in de tweede helft van de 19 eeuw populair in Frankrijk en is verwant aan de Wals.

Sonate

Een invloed in de muziek van Wiéner, die tot nu toe nog wat onderbelicht is gebleven, is het werk van zijn grote voorbeelden Mozart en Bach. Vooral in het eerste deel van de Sonate komen gedeeltes voor die sterk doen denken aan sommige Preludes uit Bachs Wohltemperiertes Klavier. De neo-barokke figuren met de nodige 'foute' noten in datzelfde deel verraden de invloed van Strawinsky. Het eenvoudige thema van het middendeel ademt dezelfde sfeer uit als dat van het middendeel van de tweede Sonatine. De Polka-achtige opening van het laatste deel tenslotte brengen ons weer terug bij de muziek, die Wiéner misschien nog het meest aan het hart lag: de jazz en het entertainment.