pianoTo English versionEnglish flag

PICASSO AND THE MUSIC OF HIS CENTURY

1.J.S.Bach (1685-1750) - Contrapunctus 14 from 'die Kunst der Fuge' B.W.V. 1080 7'

2.Erik Satie - Ragtime from 'Parade' (1917) 3' (1866-1925)

3.Igor Strawinsky - Ragtime (1918) 5' (1882-1971)

4.Darius Milhaud - 'Tango des Fratellini' from 'le Boeuf sur le (1892-1974) toit' (1919) 2'

5.Igor Strawinsky - Circus Polka (1942) 4'

6.Enrique Granados - From: Danzas Españolas (1893) 7' (1867-1916)
-Andaluza
-Jota (Rondalla Aragonesa)

7.Manuel de Falla - From: El sombrero de tres picos (1919) (1876-1946)
-Danza de los Vecinos 7'30''
-Danza del Molinero
-Danza del Corregidor

8.Francis Poulenc - Toréador (Chanson Hispano-Italienne) 5' (1899-1963) (1918-1932)
From: le Travail du Peintre
-Pablo Picasso (1958)

9.Paul Dessau - (nach Picasso) (1937) 4' (1894-1979)

10.Virgil Thomson - Bugles and Birds: A portrait of Pablo (1896-1989) Picasso (1940) 2'30''

11.Erik Satie - Mercure (1924) 11'
-Marche-Ouverture
-La nuit
-Danse de tendresse (Apollon et Vénus)
-Signes du Zodiaque
-Entrée de Mercure
-Danse des Grâces
-Bain des Grâces
-Fuite de Mercure
-Colère de Cerbère
-Polka des lettres
-Nouvelle danse
-Le chaos
-Rapt de Proserpine

12.Darius Milhaud - Uit: 'le train bleu' (1924) 6'
-Introduction
-Choeur des Poules et des Gigolos
-Choeur des Poules et des Gigolos -Fugue de l'engueulade

De werken van de Falla, Milhaud en Satie zijn pianotranscripties van de oorspronkelijke orkestwerken. De transscriptie van de Ragtime uit 'Parade' is van Hans Ourdine . De dansen van de Falla zijn door de componist zelf voor piano bewerkt. Van de overige transscripties is de auteur niet bekend.

TOELICHTING

Picasso en muziek

Een gitaar! Toen ik mijn eerste gitaren op het doek zette, had ik er nog nooit een in handen gehad. Van het geld dat ik toen verdiende heb ik er een gekocht, daarna heb ik er nooit meer een geschilderd. Picasso, geciteerd in Jaime Sabartés, Picasso portraits et souvenirs, Parijs, 1946.

De relatie tussen Pablo Picasso (1881-1973) en de muziek van zijn tijd is eenvoudig te leggen. De schilder heeft veelvuldig muziekinstrumenten en andere muzikale onderwerpen in zijn werk verbeeld. Met name in de talloze kubistische stillevens spelen de mandoline, gitaar en viool een hoofdrol. Het beroemde schilderij 'Drie muzikanten' (Museum of Modern Art, New York) geldt als een van de hoogtepunten van zijn oeuvre. Hij onderhield intensieve contacten met componisten als Erik Satie, Igor Stravinsky, Manuel de Falla, Darius Milhaud en Francis Poulenc. Daarnaast is hij als decorontwerper talrijke malen betrokken geweest bij muzikale producties in het bijzonder van balletten. Daarbij vormden meestal nieuwe projecten van de 'Ballets Russes', aangejaagd door de vermaarde impresario Sergei Diaghilev, de aanleiding voor Picasso's activiteiten op dit gebied.
Bij het samenstellen van deze CD is Picasso's betrokkenheid bij de 'Ballets Russes' de voornaamste invalshoek geweest. Daarnaast is de voorliefde van de kubisten voor de muziek van Bach in het programma terug te vinden en zijn componisten vertegenwoordigd voor wie Picasso als persoon en als schilder een inspiratiebron is geweest. Tenslotte is er muziek op de CD te horen die verband houdt met twee van de grote liefdes van de schilder: het circus en het stierengevecht.

DE AFZONDERLIJKE WERKEN

J.S.Bach - Contrapunctus 14 uit 'die Kunst der Fuge'

Veel kubistische schilders voelden verwantschap met de polyfone (meerstemmige) muziek en in het bijzonder met die van Bach. De manier waarop zij de werkelijkheid gelijktijdig vanuit verschillende perspectieven bekeken is te vergelijken met de gelaagdheid in een Fuga van Bach waarin de verschillende stemmen in het muzikale weefsel van plaats kunnen wisselen zonder dat de muziek daardoor aan betekenis verliest. De verschillende combinaties en gedaantes van stemmen (vergroting, verkleining, omkering, spiegeling) verrijken juist de zeggingskracht van de muziek.
Bachs 'Kunst der Fuge' wordt algemeen beschouwd als de bekroning van deze schrijfwijze. De laatste Fuga van dit magnum opus is onvoltooid gebleven. Precies daar, waar Bach met componeren is gestopt eindigt ook de uitvoering ervan op deze CD. Het lijkt symbolisch voor het feit, dat eeuwen later nog kunstenaars door Bach en zijn manier van componeren geïnspireerd zouden worden.

Erik Satie - Ragtime uit 'Parade'

In 1916 leert Picasso via Jean Cocteau zowel de Russische impresario Sergei Diaghilev als de componist Erik Satie kennen. De ontmoetingen leiden tot een bijzondere samenwerking bij een productie van de door Diaghilev geleide 'Ballets Russes': Parade. Cocteau schrijft het libretto, Satie componeert de muziek en Picasso ontwerpt het decor. De choreografie is van Léonide Massine.
Satie wordt wel beschouwd als de geestelijk vader van de 'Groupe des Six', de groep van componisten waarvan Milhaud en Poulenc de bekendste leden zijn. Cocteau kan als schrijver van 'le Coq et l'Arlequin', een manifest waarin een nieuwe esthetiek voor de kunst bepleit wordt, als ideoloog van de groep gezien worden. Muzikaal betekende die esthetiek een terugkeer naar de helderheid en eenvoud van het klassicisme (een terugkeer, die ook in het werk van Picasso uit die tijd te zien is) en een vermenging van 'serieuze' en 'amusements'muziek. Het is dan ook begrijpelijk, dat Satie een vorm als de Ragtime in 'Parade' durfde te gebruiken. Het Parijse publiek anno 1917 ervoer 'Parade', compleet met sirenes, ratelende schrijfmachines en revolverschoten, desondanks als shockerend. De Ragtime is een dansvorm met een karakteristiek, onregelmatig ritme (kort-lang-kort) in de melodie tegenover een regelmatig ritme in de begeleiding

Igor Stravinsky - Ragtime

De ontmoeting tussen Picasso en Stravinsky in 1917 zou belangrijk blijken. De kunstenaars (wier geboorte- en sterfjaren vrijwel samenvallen) zijn verwante geesten: beiden hebben een voortdurende neiging hun stijl te vernieuwen, een enorme werkdrang tot aan het eind van hun leven en een daarbij behorende omvangrijke artistieke productie.
Picasso ontwerpt het decor voor Pulcinella, het ballet waar Stravinsky in 1920 de muziek voor schreef. Een samenwerking van een meer bescheiden omvang betreft de 'Ragtime', waarvoor Picasso de tekening op de voorkant van de partituur maakte. Stravinsky leerde de Ragtime kennen tijdens de jazzrage die Europa rond 1920 in de ban hield. De componist assimileerde de stijl direkt zonder daarbij zichzelf te verloochenen: in zijn oorspronkelijk voor elf instrumenten gecomponeerde 'Ragtime' blijft in elke noot Stravinsky te herkennen.

Darius Milhaud -Tango des Fratellini uit 'le Boeuf sur le toit'

Picasso was een hartstochtelijk liefhebber van het circus. Hij zal in Parijs zeker het befaamde Circus Médrano bezocht hebben waar de gebroeders Fratellini als clowns werkzaam waren. Milhaud voerde hen ten tonele in zijn 'Boeuf sur le toit' uit 1919. Hierin verwerkte hij de vele muzikale indrukken die hij kort tevoren in Brazilië had opgedaan. Ook voor deze productie schreef Cocteau de tekst. Raoul Dufy schilderde het decor. De samenwerking met Picasso zou nog 5 jaar op zich laten wachten.

Igor Stravinsky - Circus Polka

Ook voor Stravinsky was het circus een inspiratiebron. Het leidde tot de Circus Polka, 'gecomponeerd voor een jonge olifant'. Deze balletmuziek werd ook daadwerkelijk gedanst door 50 (!) olifanten van het Barnum en Bailey Circus in New York in een choreografie van George Balanchine. Stravinskykenner Elmer Schönberger weet te melden, dat de dieren de muziek als 'verwarrend' en 'angstaanjagend' ervaren schijnen te hebben.
De Polka is een grotesk en brutaal werk met als apotheose het citaat uit de Militaire Mars in D van Franz Schubert....

Enrique Granados - 2 Danzas Españolas

In 1904 verhuist Picasso definitief naar Parijs maar blijft zijn spaanse wortels trouw.
In 1921 werkt Picasso mee aan een nieuwe productie van Diaghilev: Cuadro flamenco. Het is een suite van Andalusische dansen (Picasso's vader kwam overigens uit Andalusië) voor de uitvoering waarvan Diaghilev dansers en musici wierf in Spanje. Granados Spaanse dansen benaderen waarschijnlijk dicht de traditionele en deels geïmproviseerde muziek bij deze voorstelling, die naast Andalusische dansen ook een 'Jota Aragonesa' bevatte.
Granados was vrijwel geheel autodidact en het oorspronkelijke volksmuziekkarakter is in zijn Spaanse dansen dan ook goeddeels bewaard gebleven. 'Andaluza' wordt ook dikwijls op gitaar uitgevoerd en zou in die vorm in 'Cuadro flamenco' zeker niet misstaan hebben.

Manuel de Falla - 3 Dansen uit 'El sombrero de tres picos'

Voor de Falla's ballet 'El sombrero de tres picos' maakte Picasso het decor, het achterdoek en de kostuums.
Met dit werk vestigde de Falla zijn naam in het Europese muziekleven. Het verhaal schets de vergeefse pogingen van een lachwekkende gouverneur (El Corregidor) om de vrouw van een molenaar te veroveren. Van een aantal dansen uit dit ballet, die duidelijk ruiger en gedurfder zijn dan die van Granados, maakte de Falla zelf bewerkingen voor piano.

Francis Poulenc - 2 liederen: 'Toréador' en 'Pablo Picasso'

Poulenc was een groot bewonderaar van de aanzienlijk oudere Picasso. Tot een werkelijke samenwerking is het evenwel niet gekomen. Poulenc droeg zijn koorwerk 'Figure humaine' (op tekst van Paul Eluard) aan Picasso op en speelde het voor Picasso en Eluard in 1943, nog vóór de première, 'off the record' op de piano. Hij portretteerde de schilder in 'le travail du peintre', een liederencyclus waarin ook Picasso's landgenoten Miró en Gris een lied toebedeeld kregen. Poulencbiograaf Benjamin Ivry karakteriseert het portret van Picasso als 'granitic with a touch of Spanish cruelty'.
Cocteau schreef de tekst voor een van Poulencs vroege liederen: het in 'buffostijl' geschreven 'Toréador'. Het lied beschrijft het tragische lot van een stierenvechter op de Piazza San Marco in Venetië.

Paul Dessau - Guernica

Waar Picasso wellicht de bekendste schilder van de twintigste eeuw genoemd kan worden, kan men zijn 'Guernica' waarschijnlijk als het beroemdste schilderij van diezelfde eeuw beschouwen. Het doek is geïnspireerd op het bombardement tijdens de Spaanse burgeroorlog waarbij in enkele uren het vanuit strategisch oogpunt volstrekt onbelangrijke stadje Guernica door de Duitse Luftwaffe volledig werd verwoest.
De componist Paul Dessau werkte o.a. veelvuldig met Bertold Brecht samen. Na een verblijf in Amerika vestigde hij zich na de Tweede Wereldoorlog in het toenmalige Oost-Duitsland. Dessaus pianomuziek is zeer expressief en compromisloos. Zijn 'Guernica' is een bewogen, atonaal stuk met plotselinge klankerupties, waarin de componist zijn engagement overtuigend tot uitdrukking brengt.

Virgil Thomson - Bugles and Birds: A portrait of Pablo Picasso

Het portretteren van personen door middel van muziek is allang een beproefd recept. François Couperin, Schumann ('Carnaval') en Elgar ('Enigma Variations') beoefenden het genre. De Amerikaanse componist Virgil Thomson (die in Parijs studeerde en daar Stravinsky, Cocteau en Satie leerde kennen) kan bogen op een portrettengallerij van meer dan honderd personen.
In het portret van Picasso komen diens bezetenheid, originaliteit en vitaliteit krachtig naar voren.

Erik Satie - Mercure

Het ballet 'Mercure' werd niet door de 'Ballets Russes' geproduceerd, maar door de concurrent 'Les Soirées de Paris' van de graaf Etienne de Beaumont. Ontwerp van decor, gordijn en kostuums zijn weer van Picasso.
Hoewel 'Mercure' aanzienlijk minder bekend is dan zijn voorganger 'Parade' is de muziek wellicht verfijnder en rijper. Het verhaal kent geen echt plot, maar bestaat uit een aantal scènes waarin de verschillende aspecten van de mythologische persoonlijkheid Mercurius worden geschetst.

Darius Milhaud - 3 Delen uit 'le train bleu'

De bijdrage van Picasso aan Milhauds 'le train bleu' is bescheiden geweest: hij ontwierp er slechts het achterdoek voor. De blauwe trein komt trouwens in het stuk niet eens voor. Aan het begin heeft hij zijn passagiers al afgezet aan een (niet bestaand) strand. Het absurdistische verhaal van (alweer) Cocteau kent nauwelijks een dramatisch verloop.
Milhaud schreef, in de wetenschap, dat opdrachtgever Diaghilev zijn avant-gardistische muziek eigenlijk niet waardeerde, voor dit ballet in een veel conventionelere stijl dan gewoonlijk. De laatste scene van deze 'operette dansée' ontaardt in een scheldpartij tussen een tennisser en een golfkampioen. Milhaud koos hier voor de Fugavorm. Het is opvallend hoe bijna 200 jaar na Bachs ultieme 'Kunst der Fuge' de Fuga nog aktueel blijkt te zijn in het Parijs van de 'roaring twenties'.

®Marcel Worms, februari 1999